Aan dat salontafeltje

Ook in die vroege uurtjes in het weekend vond je bij opa & oma warmte, liefde en het vooruitzicht van lekker eten. Dan staken mijn zus en ik ons hoofd om het hoekje van de deur en dan zag je hen zitten voor het raam bij het houten salontafeltje. Het tafeltje was bedekt met een okergeel batik doek en stond op twee sierlijke houten poten die in een klokvorm uitliepen. Onderaan die poten, in het midden, zat een opening waar je voet precies in pastte.

Op een ochtend zei oma dat ze al vanaf 6 uur bezig waren met bapaodeeg kneden. Het was alsof ze die nacht had besloten dat ze bapao voor ons ging maken. Dat is een van de heerlijkste dingen aan kind zijn, dat je geen benul hebt van alle voorbereiding die er aan zoiets vooraf gaat. Dan weet je nog niet dat je moeder (in ons geval) elke week weer een heel menu moet uitdenken, plannen en inkopen. Waarbij elke gezinslid aan zijn trekken moet komen; de een houdt niet van aardappelen, de ander niet van rijst. Het geduld dat oma in het koken stak doorstaat de tijd, evenals haar schriften vol opgekrabbelde recepten. Ik herinner me de smaak van haar eten tot op de dag van vandaag. Mijn kooksels halen het niet bij die van haar.

Bapao kregen we niet vaak. Het was een van de weinige dingen die oma bewerkelijk vond. Al het overige eten leek ze met het grootste gemak te maken. Dan stonden we naast haar in de keuken te kijken hoe ze loempia’s in de wadjan frituurde en vroegen we hoe je de vulling eigenlijk maakt. Of nasi goreng, bami goreng, babi of ayam ketjap, of vul maar in. “Oh, maar dat is makkelijk,” was steevast haar antwoord. En dan volgde er een lange instructie die mij destijds helemaal niet makkelijk in de oren klonk, maar die ik nu echo als mijn kinderen vragen hoe je iets klaarmaakt. En het begint vrijwel altijd – die krijg je van mij cadeau – met knoflook en (bos)ui of sjalotjes.

Het stugge deeg voor bapao moest heel lang gekneed worden. Mijn moeder vertelde me dat oma er nooit tevreden over was, dat ze het deeg nooit luchtig genoeg kreeg. Ik herinner me alleen heerlijke, rijkelijk gevulde broodjes, die van oma waren de enige die ik ooit echt lekker heb gevonden. Dat ambachtelijke kneden deden opa en oma om de beurt. Dan had opa de rode beslagkom een tijdje op schoot. Dan weer stond de kom op de grond tussen oma’s voeten en ging zij er op los. Schort om, mouwen opgestroopt. Ze was tenger en klein, maar kneden kon ze. Dat merkte je pas goed wanneer je van haar pitjit kreeg als je pijn in je nek of hoofdpijn had.

Aan het salontafeltje werd ook taugé geplukt, de bruine staartjes eraf knappen. Niet een onsje, maar een hele berg lag dan op een uitgespreide krant. Mijn zus en ik werden als hulptroepen ingeschakeld. Knap knap, dan hield je een fris taugeetje over. Lekker bij de gado gado, oftewel gado2.

Ook als er niet geduldig werd gewerkt aan het eten waren we vaak te vinden bij opa en oma. Hadden we ons verkleed als Balinese danseressen, dan zette opa ons op de foto. Stond oma voor haar kaptafel of stond opa zich te scheren dan keken we toe. Had mijn zus dansles gehad dan zette opa een tape op en oefende hij met haar de foxtrot, ik keek er graag naar in de wetenschap dat ik over een paar jaar ook met opa zou dansen. Maar toen ik zover was, was opa er niet meer.

Ik zat wel eens in de stoel van oma, mijn voet in die opening in de tafelpoot. Dat paste zo mooi, die vorm. Je kon je voet een piepklein beetje voor- en achteruit schuiven. Op een dag kreeg ik mijn voet er wel in, maar niet meer uit. Gegroeid natuurlijk, maar wist ik veel. Met liefde en geduld kreeg opa mijn voet er uit, maar ik moest huilen. Ik weet nog precies dat tintelige gevoel dat via mijn voetbotjes door leek te galmen in mijn hele skelet. Opa gaf mij een Wybertje. Met zijn duim schoof hij het blauwe doosje open en schudde er eentje uit. “Neem maar, dat helpt.” En verdraaid.

Die kleine dropruitjes zitten gelukkig nog altijd in zo’n blauw schuifdoosje. Ik koop ze af en toe. Ik schuif het doosje open en schud er zo’n dropruitje uit. Dat heeft iets magisch.