mus op een randje

Raam

In mijn fijnste jeugdherinneringen komen mijn Chinees-Indonesische opa & oma voor, die bij ons woonden. Ze hadden hun eigen vertrek, daar kon je via de bijkeuken heen. ’s Morgens vroeg op blote voeten trotseerden ik en mijn zus de koude tegels om te kijken of de deur al open was en ja, dan kon je naar binnen. Opa en oma kwamen ook gezellig bij ons in de woonkamer. Om samen te eten, kopi tubruk te drinken. En om door het raam te kijken. Dat was niet zomaar een raam.

Vanachter dat grote raam aan de voorkant zwaaide omaatje ons altijd uit als we naar school gingen. Helemaal tot je aan het eind van de straat was. Voor we de hoek om gingen, keken we nog eens om en dan nog één keer zwaaien. Alsof je maar nooit kon weten of het misschien de laatste keer was. Ik doe dat nog steeds het liefst wanneer ik iemand uitzwaai die ik lief of aardig vind, en het doet altijd een klein beetje pijn om de deur al eerder dicht te doen, maar niet iedereen wil uit beleefdheid voortdurend om hoeven kijken. Omaatje gaf me het gevoel dat ik nooit alleen was. Zelfs als ik al de hoek om was stond zij in mijn hart nog naar me te zwaaien.

Oma knipte de broodkorstjes met een schaar van haar boterhammen. Als we die korstjes op de houten putdeksel in de voortuin hadden gelegd, ging zij voor het raam staan. Het was dan haar missie om te zorgen dat de mussen en andere kleine vogeltjes het brood kregen. Kraaien, eksters en meeuwen joeg ze weg door geestdriftig met de vitrages te zwiepen en sjjj sjjjjj te roepen. Oma, beschermheilige der kleine gevederden.

Als opa voor het raam stond, ging dat een stuk kalmer. In zijn geruite pyjama met de handen op de rug stond hij in stilte te kijken. Van tijd tot tijd maakte hij een tjsilpend geluidje, een (Indonesische?) gewoonte die ik heb overgenomen, om restjes eten of anders alleen wat lucht tussen je tanden weg te zuigen. Tijdens het staren hoorde je opa wel eens een boertje of scheetje ontsnappen en altijd zei hij wel een keer: “Tsja. Zo is het.” Als ik wat ouder was geweest zou ik hem gevraagd hebben waar hij aan dacht als hij zo naar buiten keek. Ik denk dat hij eigenlijk naar binnen keek.

Ik keek zo lang mogelijk naar hem, voor het allerlaatst door het kiertje van de deur in de ziekenhuiskamer. Opa stierf toen ik dertien was. Even zoveel jaren hadden we omaatje nog bij ons. Ze verhuisde naar een tehuis voor Indonesische mensen toen mijn ouders naar Zweden emigreerden. Als ik bij oma op bezoek was geweest zwaaide ze mij gedag vanachter haar raam op de vijfde verdieping. Toen ook zij stierf heb ik haar uitgezwaaid. In mijn hart zwaai ik nog steeds.