Fietser met snelheid

#19 Ga je sneller als je haast hebt?

Het pontveer vanuit Noord was nog niet aangemeerd of ik fietste al op volle vaart richting Nieuw-West. Volgens de routeplanner zou dat een ruime drie kwartier kosten. De routeplanner rekent met een fietstempo dat voor mij altijd al te optimistisch is geweest. Ik telde er een kwartier bij. Alleen nu moest ik dat in een half uur zien te doen, dan zouden de kinderen het schoolplein op rennen. 

Ik trapte mij een spierbreuk. Alles voor de kinderen.

Kort ervoor had mijn afspraak in Noord mij nog gecomplimenteerd: “Je bent geslaagd voor de stresstest”. Ze hadden mij een uur van tevoren gebeld, of ik eigenlijk wel wist dat ze verhuisd waren. Ze zaten niet meer op een rustig kwartiertje fietsen bij mij vandaan.

Het was een buiige dag en het waaide flink. Op de heenweg scheen de zon en had ik wind mee. Dan weet je eigenlijk al wat de terugweg brengt.

De verzuring voelde vertrouwd en ik dacht aan de sprintsets bij het conditiezwemmen. Op max en submax naar de overkant, met steeds minder rust. Hoge hartslag, armen die niet meer rond willen. Dat is knokken en soms ja vloeken. Maar je wordt er een betere zwemmer van.

Eén lange sprintset op submaximaal

Ik kon natuurlijk gewoon zo hard fietsen als ik kon. Dat was het net als sporten, best lekker voor een (half?) uurtje. Dan zou ik alleen bezig zijn met de beweging van het rondtrappen. Ik probeerde de mentale staat te vinden die daarbij hoort. Maar ik glipte er steeds vanaf. Met elke woeste trap op de pedalen raakte ik er verder van verwijderd. Ik moest sneller, nee nóg sneller. Korte rustmomenten tussendoor zouden de gehele inspanning effectiever maken, maar daar was geen tijd voor. Elke halve minuut telde. Ik móest het halen. Het was geen optie om zo hard te fietsen en het dan toch niet te redden.

Op het laatst was daar alleen nog het moeten, ik wist niet eens meer waarom het precies zo belangrijk was.

De mensen zagen mij gaan, briesend en vloekend op de wind die daardoor alleen maar harder terugblies. Zíj hadden wind mee.

Mijn gezicht begon te vervormen. De mondhoeken waren al omlaag, maar nu hingen ze tot op mijn knieën. Dat voelde ik wel en ik denk dat ik weet hoe dat eruit zag, maar terug omhoog konden ze niet meer. De frons in mijn voorhoofd was zo diep als de donkere slotgracht om het vervallen kasteel van Graaf Dracula.

Ik redde het. De kinderen werden tijdig opgehaald. Het moment dat die verantwoordelijkheid van mij af viel, klom mijn gezicht weer omhoog. Mijn shirt kon in de was. En mijn oververhitte lichaam had een rustige, koele douche verdient.

Ik spoelde het moeten van mij af.

De grote vraag is natuurlijk: zou ik het ook gehaald hebben zonder briesen en vloeken? Zou een kalmere mentale staat verschil hebben gemaakt?